679 Bevolkingsregisters van de gemeente Nijmegen 1818 - 1994


Rubriek: 1.1 Bevolkingsregisters
601-1113 'Persoons- en archiefkaarten', bevolkingsregister, alfabetisch geordend op achternaam en vervolgens op voornamen, [circa 1920] - 1994, 513 doos
Archiefvormer
Geautoriseerde naamSecretarie gemeente Nijmegen
Soort entiteitOrganisatie
Type instellingOverheid
Datering1810-1991
PlaatsNijmegen Korte Nieuwstraat 6
Nijmegen Nieuwstraat 2
Nijmegen Lange Nieuwstraat 2
Nijmegen Korte Burchtstraat
RechtsvormOverheidsorgaan
 Zie uitgebreide beschrijving in Kennisbank Huis van de Nijmeegse Geschiedenis
Voorganger(s)Stadsbestuur Nijmegen
Opvolger(s)Bestuursdienst
Publieksdienst
Geschiedenis van het archiefSinds 1816 kende Nijmegen een bevolkingsboekhouding. Deze werd echter niet gehouden door de administratie van de stad maar door de armenfondsen. Er waren vier wijkmeesters in functie, één voor elke wijk binnen de stadsmuren, die de 'staat der bevolking' bijhielden en er vooral op moesten toezien dat in Nijmegen wonende personen voorzien waren van akten van admissie of inwoning, met het oog op een eventuele bedeling uit de armenfondsen. De wijkmeesters werden derhalve ook door de gezamenlijke armenfondsen aangesteld en bezoldigd. Het stadsbestuur had in 1816 aan de ingezetenen de plicht opgelegd, alle inlichtingen over de staat der bevolking of mutaties hiervan aan de wijkmeesters bekend te maken. Van deze vroege bevolkingsboekhouding zijn geen registers bewaard gebleven, noch van de registratie van alle inwoners van Nijmegen die in 1818 plaatsvond.
Rond 1827 werd aan de bevolkingsboekhouding een meer officieel karakter gegeven, doordat het stadsbestuur op 6 februari 1827 vier nieuwe wijkmeesters benoemde, die hun werkzaamheden zouden aanvangen met een algemene opneming der bevolking, waarmee werd begonnen op 21 april 1827. Het stadsbestuur drukte de ingezetenen op het hart "dat een ieder door een heusche en oprechte beantwoording der door de Wijkmeesters in deze hunne betrekking te doene vragen de bezwarende taak, die zij hebben moeten opnemen, zal trachten te verlichten". Nog steeds beschouwde het stadsbestuur de bevolkingsboekhouding niet als een onderdeel der gemeenteadministratie. De wijkmeesters ontvingen nog altijd hun bezoldiging uit de armenfondsen en de registers werden niet ten stadhuize bewaard. Het resultaat van het optreden der wijkmeesters vindt men in de registers over 1827-1850 (inv.nrs. 32801-32831).
In het jaar 1839 kwam het stadsbestuur tot de conclusie dat er een verandering in het instituut der wijkmeesters nodig was. De bestaande wijkregisters waren zeer onvolledig en onoverzichtelijk bijgehouden, en steeds dringender werd de noodzaak gevoeld een volledig overzicht van de bevolking te bezitten, niet alleen voor de aangelegenheden van ondersteuning uit de armenkassen, maar ook voor de politie, militie en schutterij. In plaats van de vier wijkmeesters, die op de meest eervolle wijze ontslagen werden, werd G. Heuvel benoemd tot wijkmeester voor de gehele stad; hij hield zitting op het stadhuis en werd als stedelijk ambtenaar aangesteld. Zijn eerste taak was het maken van een nieuw overzicht van de bevolking; het resultaat hiervan werd het bevolkingsregister per 1 januari 1840 (inv.nrs. 32832-32835).
Inmiddels kwamen er ook van de Rijksoverheid steeds meer voorschriften voor het bijhouden van bevolkingsregisters en hulpregisters daarbij (zie voor een volledig overzicht hiervan: A. Knotter en A.C. Meijer (red.), 'De gemeentelijke bevolkingsregisters, 1850-1920'). In het nieuwe Burgerlijk Wetboek 1838 (art. 76) was de registratie van vestiging en vertrek al verplicht gesteld. In 1849 kregen alle Nederlandse steden en gemeenten opdracht om per 1 januari 1850 volgens een standaardmodel bevolkingsregisters aan te leggen én bij te houden. In 1861 werd bepaald dat minderjarigen en onder curatele gestelden voortaan werden geregistreerd in de woonplaats waar ze daadwerkelijk verbleven in plaats van op het adres van hun ouders of voogd. Tevens werd de mogelijkheid geboden een verblijfsregister bij te houden ter inschrijving van personen die tijdelijk in de gemeente verbleven, of waarvan nog niet duidelijk was of zij zich werkelijk in de gemeente wilden vestigen. In 1870 kwamen er bijzondere bepalingen voor de inschrijving van 'Bedelaars, landloopers en poldergasten' en voor de bevolking van gestichten, kazernes, schepen en dergelijke.
De registers werden tot circa 1920 bijgehouden in boekvorm. Koninklijke Besluiten in 1920 en 1922 regelden het aanleggen van bevolkingsregisters in de vorm van gezinsregisters in kaartvorm, met de mogelijkheid daarnaast persoonskaarten te gebruiken. In 1936 volgde de verplichte invoering van de losbladige persoonskaarten. De gemeente Nijmegen heeft na de introductie van het persoonskaartensysteem de gegevens uit het oudere gezinskaartensysteem ‘met terugwerkende kracht’ overgezet op persoonskaarten. Vervolgens zijn voor zover bekend de gezinskaarten vernietigd. Daardoor bestaat in Nijmegen de uitzonderlijke situatie dat het rond 1936 opgezette persoonskaartensysteem teruggaat tot circa 1920, terwijl er geen gezinskaarten meer aanwezig zijn.
Per 1 oktober 1994 is de Wet Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (Wet gba) in werking getreden, waarmee er een einde kwam aan de papieren bevolkingsregistratie.
Tot 1919 viel het bijhouden van de bevolkingsboekhouding rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de stads- respectievelijk gemeentesecretarissen. Daarna werd de secretarie onderverdeeld in afdelingen en bureaus; de bevolkingsboekhouding viel onder de afdeling Bevolking, Verkiezingen en Militaire Zaken. Na de reorganisatie van 1958 werd dit het Bureau Bevolking van Afdeling III, vanaf 1985 de afdeling Bevolking c.a. en vanaf 1992 viel Bevolking onder de zogenaamde Publieksdienst.

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit item

Plaats een reactie

Uw naam
Uw e-mailadres
Reactie