1 Stadsbestuur Nijmegen 1196 - 1810


Rubriek: 8.2.1 Verpachting van verschillende stedelijke inkomsten en accijnzen
OrdeningDe raadpleger van deze inventaris moet voorbereid zijn op belangrijke lancunes in het archief, vooral ten aanzien van het oudste gedeelte. Een uitzondering hierop maakt slechts de collectie privileges, welke vanaf het midden der 13e eeuw regelmatig doorloopt. Bij het ineenzetten van deze inventaris is die van het oud-archief van Arnhem door Jhr. Mr. D.P.M. Graswinckel tot voorbeeld gekozen; de verantwoorde en overzichtelijke indeling ervan, maar meer nog de overweging dat Nijmegen en Arnhem, beide hoofdstad van een der Gelderse Kwartieren, op gerond van historie en kanselarijgebruiken zeer grote punten van overeenkomst vertonen, hebben tot dit besluit geleid. Uniformiteit in de bouw van inventarissen biedt voor de raadpleger bovendien het voordeel dat hij zich gemakkelijk met de wijze van indeling vertrouwd zal maken.
De onderzoeker houde er rekening mee dat de vroegere administraties (men denke vooral aan de 16e eeuw) doorgaans volgens het dossierstelsel gewerkt hebben, zodat in de series ingekomen brieven geen belangrijke stukken te verwachten zijn. Slechts afgedwaalde, en niet meer in het oorspronkelijk verband terug te brengen stukken hebben in laatstgenoemde series een plaats gevonden. De dossiers zijn niet steeds intact bewaard gebleven. De inhoud stemt vaak niet overeen met de op de omslag vermelde onderwerpen. Soms zijn uit deze dossiers reeds spoedig na hun ontstaan stukken gelicht, die ook op andere zaken betrekking hadden; ook zijn er in hun geheel verenigd met stukken van jongere datum betreffende soortgelijke zaken, b.v. tolprocessen. Vooral bijlagen zijn op die wijze wel eens van hun oorspronkelijke plaats geraakt. Het is opvallend en tevens teleurstellend dat in de vaak omvangrijke dossiers gewoonlijk juist die stukken ontbreken, welke licht hadden kunnen verspreiden over de afloop van een kwestie of de uitspraak in een geschil. Reeds eerder werd er op gewezen, dat deze dossier-bundels voor een groot deel zijn gevormd door Johan van den Have, die als stadssecretaris de administratie ten raadhuize op een hoger plan gebracht heeft en het enigszins heerloze oude archief dat hij aantrof zo goed mogelijk geordend en bruikbaar heeft gemaakt. Dat hij daarbij fragmentarisch bewaard gebleven dossiers verwerkt heeft met stukken over soortgelijke zaken uit zijn eigen tijd, als een soort retroacta dus, was het goed recht van de toenmalige beheerder. Het kwam mij dan ook ongewenst voor in die gevallen te trachten de oude toestand van vóór Van den Have te herstellen, temeer daar van een bestaande ordening uit die tijd dikwijls weinig of geen sporen meer aanwezig waren. De gebruiker van de inventaris dient deze gang van zaken evenwel te kunnen volgen en daarom wordt in de voetnoten van dergelijke inventarisnummers in het kort iets verklaard over de samenstelling der stukken en over eventueel verband met onder een ander nummer beschreven archivalia. Bij de benaming, die betrekking heeft op de materiële vorm, is in de beschrijving geen onderscheid gemaakt tussen delen en banden omdat het verschil hiertussen dikwijls moeilijk of in het geheel niet viel vast te stellen. Derhalve is uitsluitend de term deel gebruikt, ook in die gevallen waarin archieftechnisch zonder twijfel van een band sprake is. In de lijst van brieven zijn niet alle stukken in volledige regestvorm opgenomen teneinde deze toch al uitvoerige lijst niet te overbelasten. Zo is bij een briefwisseling meestal alleen de eerste opgenomen en zijn het antwoord, repliek, enz., wanneer de inhoud daarvan tenminste niet uitzonderlijk belangrijk leek, enkel bij wijze van vermelding naar de voetnoot verwezen, evenwel met opgave van de plaats in het archief waar deze brieven te vinden zijn. Deze methode heeft naar mijn mening ook het voordeel, dat men in een oogopslag kan vaststellen welke stukken tot die bepaalde briefwisseling behoren.
Brieven, welke niet meer inhouden dan de mededeling dienst te hebben gedaan als begeleidend schrijven, zijn in de regel niet opgenomen, temeer daar de belangrijker bijlage zelf wel in de lijst is opgenomen. Wanneer bij de brieven niet anders vermeld staat, zijn deze op papier geschreven. Van de ondertekening is alleen vermelding gemaakt wanneer die in origineel aanwezig is, dus niet bij afschriften. Dorsale aantekeningen zijn in het algemeen slechts dan opgenomen, wanneer deze feiten inhouden, welke niet uit het stuk zelf blijken of wanneer zij om andere reden vermeldenswaard zijn. Wanneer bij de regesten niet anders is vermeld, zijn deze op perkament geschreven, en zijn de zegels uithangend. De regesten- en brievenlijsten lopen tot 1592, het jaar waarin Nijmegen tengevolge van de Reductie definitief Staats werd en ingrijpende veranderingen ten aanzien van het stedelijk bestuursapparaat plaats vonden, waarbij de oude middeleeuwse instellingen, die tot dan toe vrijwel onbelemmerd hadden voortbestaan, met één slag werden opgeheven. Meer dan enig ander jaartal vormt het jaar 1592 een scherpe caesuur in de historie van Nijmegen, die het voortzetten van de regesten- en brievenlijst tot aan dit late jaar rechtvaardigt. In de Nijmeegse kanselarij gebruikte men tot in het midden der 16e eeuw de Kerststijl, hetgeen o.a. blijkt uit het schepenprotocol van 1524, dat op fol. 36 eindigt met een akte, gedateerd "quinta post Nativitatem Christi anno XXV". Dat Nijmegen tot de jaardagsstijl overging kan ofwel geschied zijn in navolging van Spanje, waar men in 1556 tot deze stijl terugkeerde, ofwel, en eerder nog naar mij voorkomt, onder invloed van de in datzelfde jaar aangestelde stadssecretaris Johan van den Have, wiens vroeger dienstverband bij de heer van Bathenburg hem met de Nieuwjaarsstijl vertrouwd had gemaakt.
In Nijmegen werd, zoals in geheel Gelderland, de Juliaanse kalender gevolgd, ondanks het besluit van Anjou in 1582 om de Gregoriaanse kalender (nieuwe stijl) te volgen, die tien dagen oversloeg. Zo ziet men b.v. dat een 22 november 1584 gedateerde brief van Cammillo Sacchini, blijkens een aantekening van de Nijmeegse magistraat, op 14 november werd ontvangen (zie Br. no. 2395, waar de toepassing van de nieuwe stijl als s.n. wordt aangeduid. zoals ook in andere dergelijke gevallen). Eerst in 1585, toen Nijmegen zich weer onder Spaans gezag stelde, nam men de Gregoriaanse kalender aan en volgde op 22 maart de datum 4 april. In januari 1592 echter, toen Nijmegen door Maurits onder Staats gezag was terug gebracht, ging de stad weer over op de oude stijl. De eerste raadsvergadering werd gehouden op 27 januari 1592 stilo veteri. Eerst tussen 26 juni en 12 juli 1700 werd in Gelderland en ook in Nijmegen de gereformeerde Juliaanse stijl (beter bekend als de Gregoriaanse kalender) naar voorbeeld der Duitse protestantse vorsten definitief ingevoerd.
Tot aan de Hervorming toe was men in Nijmegen gewoon te dateren volgens de kerkelijke en heiligenkalender. In het R.S. van 1574 komt echter zo nu en dan reeds een datering volgens maand en dag voor, zoals 14 juli, 17 september enz. In 1578 wordt deze laatst genoemde datering regel, maar nauwelijks is de stad weer onder Spaans gezag terug (1585-1592) of men neemt de oude methode weer op, zij het ook niet zo regelmatig als voorheen. Na de Reductie en de invoering van de hervormde godsdienst wordt voorgoed gebroken met de datering naar kerkelijke feest- en heiligendagen. Kwartiers- en Landdagrecessen. Reeds eerder is erop gewezen dat van een eigenlijk Landschapsarchief vóór het einde der 16e eeuw geen sprake is (1). Evenmin natuurlijk van een eigen Kwartiersarchief. In de praktijk ging het zo, dat de secretaris der stad waar de vergaderingen plaats vonden, tevens optrad als secretaris van het Kwartier of de Landdag. Dit had tot gevolg, dat de oorspronkelijke stukken dezer vergaderingen werden opgeborgen in de stadsarchieven, zowel de recessen zelf als de daartoe behorende bijlagen. Aan de andere deelnemende leden werden dan afschriften daarvan verstrekt, zodat men thans in de archieven van Kwartier en Landdag oorspronkelijke stukken en afschriften door elkander aantreft.
Aan Nijmegen, als Eerste Stad van het Gewest, zijn volgens genoemde gang van zaken veel zaken toevertrouwd: niet alleen is hier het origineel van het in 1543 gesloten Traktaat van Venlo ter bewaring gedeponeerd en zond de stadhouder een aantal brieven van Alva aan de magistraat van Nijmegen, met het verzoek deze op de Landdag te openen en in behandeling te nemen (zie Br. no. 1514), maar ook kreeg de stad allerlei zaken af te werken, zoals de regelmatige briefwisseling met Elbertus de Leuw, die rechtskundige bijstand placht te verlenen in Landdags- en Kwartiers-, maar evenzeer ook in stedelijke aangelegenheden. Zo kwam het voor dat zaken, die deze drie instanties afzonderlijk aangingen, in een en dezelfde brief behandeld werden. Evenmin als in de andere hoofdsteden geschiedde, heeft ook de Nijmeegse stadssecretaris voldoende onderscheid gemaakt bij de afbakening dier verschillende archieven, temeer omdat de adressering aan stad, Landdag of Kwartier nog wel eens willekeurig is. De recessen met bijlagen werden tot bundels gevormd, of beter gezegd tot dossiers, die doorgaans op één onderwerp slechts betrekking hadden, omdat in de vergaderingen meestal ook maar één belangrijke zaak behandeld werd, als regel van financiële aard, zoals beden, omslagen, troepenbetalingen, maar ook andere gemeenschappelijke belangen, b.v. in verband met pogingen om overlast door Spaanse troepen tot een minimum te beperken. In verband hiermee zijn de recessen stuksgewijs of jaarsgewijs beschreven en is in de noot een korte toelichting gegeven over de inhoud van het reces en die der bijlagen. De stuksgewijze beschrijving levert bovendien het praktisch nut dat, wegens het grote aantal regesten, het overzicht gemakkelijker is geworden.
BronnenIn de Betouw, Handvesten = J. In de Betouw, Handvesten en onuitgegeven charters, behoorende tot de beschrijving en Chronijk van Nijmegen enz. Nijmegen, z.j.
In de Betouw, Vervolg der Handvesten = J. In de Betouw, Vervolg der Handvesten van Nijmegen enz. Nijmegen, 1789.
Pontanus, Historiae Gelricae = Joh. Isac. Pontanus, Historiae Gelricae, enz. Harderwijk, 1639.
Van Slichtenhorst = A. Van Slichtenhorst, XIV Boeken van de Geldersse Geschiedenissen enz. Arnhem, 1654.
Bondam, Charterboek = P. Bondam, Charterboek der hertogen van Gelderland, en graaven van Zutphen enz. (van 670 tot 1286). Utrecht, 1783-1809.
Sloet, Oorkondenboek = Mr. L.A.J.W. baron Sloet, Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutfen tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. 2 dln. 's-Gravenhage, 1872-1876.
Nijhoff, Gedenkwaardigheden = Mr. Is. An. Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland enz.. 6 dln. 's-Gravenhage, 1830-1875.
H�pke = Rudolf H�pke, Niederl�ndische Akten und Urkunden zur Geschichte de Hanse und zur Deutschen Seegeschichte. 2 B�nde. M�nchen und Leipzig, 1913-1923.

Reacties

Er zijn nog geen reacties op dit item

Plaats een reactie

Uw naam
Uw e-mailadres
Reactie